Hoe geletterd is digitale geletterdheid? Deze vraag kwam tot mij in een artikel van Suzanne van Norden. Zij maakt zich terecht zorgen over de ontwikkeling van het nieuwe curriculum digitale geletterdheid in relatie tot het nieuwe curriculum Nederlands (taal) en andersom. Het curriculum digitale geletterdheid is vanaf 2021 verplichte kost voor scholen en wordt nu voor het eerst ontwikkeld. De kernvraag uit haar artikel is: Waarom wordt er geen kraakheldere verbinding gemaakt tussen deze twee curricula?

2021

Leraren en scholen zijn nu al zoekende hoe ze digitale geletterdheid zichtbaar kunnen maken in aanloop naar het curriculum dat in 2021 verplicht wordt. Het is een heel moeilijk vraagstuk. Vanuit het vak taal is er binnen dit nieuwe curriculum veel herkenbaar, maar hoe koppel je dat met de bestaande curricula? De grootste uitdaging is, zo lijkt het, computational thinking.

Suzanne van Norden zet in haar artikel alle vier de deelgebieden rondom digitale geletterdheid uiteen en legt ze naast de ‘taalliniaal’. Op het eerste oog lijkt computational thinking het onderspit te delven, omdat de ontwikkelgroep niet of nauwelijks stilstaat bij onderstaande analyse:

“Dit domein lijkt het minst combineerbaar met taalonderwijs. Kinderen leren hier de basis van programmeren, oftewel ‘problemen procesmatig te (her)formuleren op een zodanige manier dat het mogelijk wordt om met digitale technologie het probleem op te lossen’ (uit de visie van de ontwikkelgroep digitale geletterdheid). Maar taal speelt hier een belangrijke rol. Algoritmen zijn te zien als eenduidige instructies, en daarvoor is zeer nauwkeurige taal nodig met gebruik van als-dan constructies, juiste volgordes en het vermogen om logische redeneringen op te bouwen.”

Wellicht is de aanname die de ontwikkelgroep digitale geletterdheid hier uiteenzet de belangrijkste reden waarom digitale geletterdheid als een apart curriculum moet worden gezien. De exacte reden blijft gissen, maar ik kan geen ander argument bedenken dan dat het ontstaan van het internet, online media en de expansiedrift van de digitale wereld en nieuwe technologie als zoiets revolutionairs ervaren wordt dat het een apart curriculum vereist, omdat we de ontwikkelingen goed moeten leren begrijpen en kunnen bijhouden in omvang en snelheid. En vooral vat krijgen op die snelheid is steeds de kern van het probleem volgens mij.

‘Computational thinking’ breinbreker op zich

Ik kan het oprecht niet uitspreken. Voor mij is het een vreselijke tongbreker en misschien ironisch genoeg ook symbolisch voor hoe complex we naar dit deel en het geheel van digitale geletterdheid kijken. Binnen dat curriculum is computational thinking de kink in de kabel, noem het de luis in de pels of de stok tussen de spaken. Het is een échte breinbreker zoals computational thinking wellicht bedoeld is, maar in praktijk een échte beer op de weg blijkt te zijn die tot kopzorgen leidt bij leraren en de ontwikkelaars. Dan nog daargelaten dat het woord door Office 365 niet herkend wordt in de spellingscontrole.

Oké, dit was een korte aflevering ‘Breinbreken met een taalknipoog’, terug naar de kern.

‘Digitale Geletterdheid’

Het woord ‘Digitale Geletterdheid’ in het curriculum Nederlands. Ik heb het woord met Ctrl+F opgezocht in het 43-pagina dikke document. De score in het vierde tussenproduct: Één!

En het staat in deze alinea:

“Voor het uitwerken van de grote opdracht over kritische informatieverwerking is afstemming gezocht met het leergebied Digitale geletterdheid (DLGO 3) als het gaat om de kennis en vaardigheden die nodig zijn voor online informatieverwerking.”

Meer verbinding/integratie ziet de ontwikkelgroep (nog) niet. Vanuit het vierde tussenproduct Digitale Geletterdheid is er enkel een verwijzing naar andere curricula i.v.m. ‘de grote opdracht’ zoals curriculum.nu de nieuwe curricula omschrijft. De erkenning op pagina 36 over dat er meer kansen op het gebied van integratie liggen is het enige wat over integratie wordt gezegd. Dat geeft mij sterk de indruk dat de ontwikkelteams in hoofdzaak niet bezig zijn met integratie en de vakoverstijgende toepasbaarheid. In het curriculum Nederlands wordt daar helemaal geen woord over gesproken. Sterker nog, in de woordenlijst staat het woord geletterdheid omschreven. Het woord digitaal is geen velden of wegen te bekennen.

Wat leert beter?

Terug naar het artikel van Suzanne van Norden. Wat mij opviel in haar artikel is dat uit onderzoek blijkt dat kinderen beter leren als ze lezen van papier. Nog mooier om te lezen is dat zij benoemt dat vanaf papier leren leerzamer is en niet-duurzaam mág zijn.

Minder schermtijd

Op basis van deze conclusie biedt dat kansen om ook de schermtijd per dag terug te dringen. Sterk onderbouwd en met deze conclusie horen wat mij betreft deze punten ook bij digitale geletterdheid en mogen deze niet vergeten worden als het gaat om goed gedrag in de digitale wereld:

  • Scherm opzij;
  • Wifi uit;
  • Analoog zijn;
  • En in het hier en nu zijn met je directe omgeving.

Papier is duurzamer

Wat betreft dat leren vanaf papier niet duurzaam is, zal het met de kennis van nu duurzaam mogen zijn wat mij betreft. Een goed geletterd volk is immers toekomstbestendig en kan op andere manieren beter voor onze planeet zorgen.

Kort en goed: We weten niet hoe we grip krijgen op de technologische ontwikkelingen in relatie tot digitale geletterdheid. Terwijl de link met taal misschien helemaal niet zo gek is, zoals Van Norden dat benadert in haar betoog.

Alle zintuigen

Wat ik echt wel mis in haar schrijven is het belang van de vaardigheden zien en kijken en vooral spreken en luisteren. Die informatievaardigheden zijn minstens zo belangrijk als lezen en schrijven, omdat je communiceert met al je zintuigen.

Zien en kijken

De beeldbanken puilen uit en zijn een heerlijke vergaarbak om je lessen mee te verrijken met korte instructiefilmpjes, animaties, foto’s, enz. De laatste jaren maken leraren met leerlingen ook beeldmateriaal. Die mogelijkheden zijn fantastisch om kritisch te leren kijken, te analyseren en vanuit nieuwe inzichten ook nieuwe doelen te stellen. We krijgen met de technische mogelijkheden steeds meer vat op de zogenaamde 21e-eeuwse vaardigheden, maar vergeet niet dat daar kennis voor nodig is. En om kennis te vergaren, moet je teksten kunnen begrijpen en dat kan alleen met voldoende bagage aan woordenschat.

De noodzaak van woordenschat

In de weg naar geletterdheid is kennis hebben van veel woorden en het woordenschatrijk worden van cruciaal belang. Onderzoeken over woordenschatontwikkeling tonen aan dat je gemiddeld 7 keer op verschillende manieren met een woord in aanraking moet zijn geweest, voordat het tot je vocabulaire hoort. Bij de één gaat dat vlugger dan de ander door tal van factoren zoals betrokkenheid, belevingswereld, enz. Maar niet geheel onbelangrijk ook, hoe het aangeboden wordt.

Waar we te weinig bij stilstaan is dat ons onderwijssysteem heel erg gericht is op taaldenkers, omdat 90% van de mensen tot die groep behoort. Dat neemt niet weg dat een slordige 10 procent beelddenker is en op een andere manier informatie tot zich neemt met mogelijke leerproblemen als gevolg.

Beeldconsumptie vs. leeskilometers

Omdat de laatste jaren de beeldconsumptie en dus ook de schermtijd toeneemt, wordt er minder gelezen in zowel de groep beelddenkers als taaldenkers. Voor beide groepen heeft dat gevolgen, omdat niet alle zintuigen voldoende worden uitgedaagd.

Digitaal mediagebruik neemt toe en die tijdsbesteding moet ergens anders vandaan komen. Er wordt minder buiten gespeeld, maar ook minder gelezen. Daarnaast zijn vaak ook de persoonlijke omstandigheden in gezinnen een hindernis in het maken van leeskilometers. Zo zijn er tal van factoren die de aandacht verdienen, maar de beeldconsumptie neemt wel een toevlucht. En dat baart zorgen over de geletterdheid van de toekomstige generatie.

De noodkreet van Suzanne van Norden is daarom ook meer dan terecht, want minder lezen betekent minder leeskilometers maken en dat gaat ten koste van de woordenschatontwikkeling en dus ook het schrijfonderwijs. Echter lazen we net onder het kopje “De noodzaak van woordenschat” dat in aanraking komen met nieuwe woorden op verschillende manieren moet plaatsvinden wil een nieuw woord beklijven.

En spreken en luisteren?

Als je het écht goed wil aanpakken, moet je dus investeren in woordenschat en dat op zo’n manier aanbieden dat ook spreken en luisteren de aandacht krijgen. Het gebeurt wel. Want waar instructie wordt gegeven, wordt ook gesproken en geluisterd. Echter is het maar de vraag of er op de juiste manier gesproken en geluisterd wordt. Bewustwording kan alleen als je dat vanuit een kritische houding stimuleert en doelgericht werkt.

En dat laatste is in het onderwijs een ondergeschoven kindje. Spreken en luisteren zijn minstens zo belangrijk, de bewustwording van wat en hoe je luistert, ook het leren fantaseren en een beeld te vormen. Kinderen leren dat op school niet vanzelf als de criticus in hen niet wordt ontwaakt door doelgericht te sturen.

Radio maken en luisteren

Vanuit mijn passie voor radio ben ik een groot pleitbezorger voor dit medium in de klas, omdat spreken en luisteren volop aandacht krijgt mét lezen en schrijven. Radio richt zich heel erg op het inlevingsvermogen van de luisteraar én de spreker die informatie leest, bekritiseert, produceert en vervolgens presenteert.

Radio is een intiem en kwetsbaar medium en stelt je in staat om kinderen vanuit een betekenisvolle setting bewust te maken van communicatie.

Jezelf terug horen is in het begin raar. Vooral jezelf direct horen op de hoofdtelefoon, terwijl je spreekt in de microfoon. Het is een heel confronterend medium. Het zet leerlingen meteen op scherp. Anders luisteren activeert de criticus in jezelf. In een klassikale omgeving kun je audio en opnames op verschillende manieren beluisteren, vergelijken en elkaar van feedback voorzien.

Bewustwording

Door met kinderen radio te maken en de opname als ‘live’ te bestempelen bij opname neemt bewustwording van taal enorm toe, omdat voorbereiding van teksten, items, nieuws en eigenlijk alles wat je verbaal communiceert tot de verbeelding moet spreken bij de luisteraar. Radio is een intiem en kwetsbaar medium en stelt je in staat om kinderen vanuit een betekenisvolle setting bewust te maken van communicatie. Zeker als je het met ze terugluistert en nieuwe doelen stelt.

Menselijk datacentrum

Data, daar draait het om. Ook in het brein. Hoe meer inzichten en toepassingen van woorden, dé bouwstenen van taal, des te meer je kunt leren en maken. Om woorden te begrijpen moet je die (analytisch) kunnen (be)kijken, lezen, (be)schrijven én erover spreken en ook naar luisteren en dat weer bespreken. Met deze vaardigheden zet je alle zintuigen in en dat vinden je hersenen fijn. Het brein is één groot datacentrum dat informatie via al die prikkels verwerkt en gebruikt bij nieuwe data. Het liefst snel en goed gebalanceerd via alle mogelijke kanalen.

Hoe nu verder?

Geletterdheid. Het is noodzakelijke bagage voor de wereldreis die het leven heet. Het liefst ga je slim op reis en ben je de uitdagingen onderweg de baas in een wereld die continu verandert. Dat moet met intelligente mensen die elkaar onderweg helpen en met mensen die de wereld intelligenter willen maken. Het aanleren van geletterdheid is een ambacht. Maatwerk!

Digitale Geletterdheid

Wat betreft geletterdheid ben je niet alleen afhankelijk van taal, maar alles wat betrekking heeft op communicatie, ook digitale geletterdheid. Taal is overal en moet wat mij betreft hét kerncurriculum worden, omdat het aan de basis ligt van goed geletterde burgers.

Voorstel 1: Curriculum Nederlandse Geletterdheid

Steeds wordt er terecht de zorg geuit over de afnemende geletterdheid van mensen. Om hier weer vat op te krijgen moet het curriculum taal of Nederlands moet het zich verbinden aan digitale geletterdheid. Door digitale geletterdheid te omarmen in het curriculum Nederlands is geletterdheid hét nieuwe vertrekpunt. Maak daarom een curriculum Nederlandse Geletterdheid.

Door het zo te noemen, is digitaal en media veel beter te integreren, omdat het binnen een curriculum Geletterdheid vanzelfsprekend is. Voor onderwijsmakers is dat een stuk eenvoudiger.

En als ik dan toch even een hersenspinsel mag noemen in het kader dat het brein kneedbaar is en kunt trainen. Waarom niet een niet-verplicht Curriculum Intelligentie.

Voorstel 2: Curriculum Intelligentie

Wat volgens mij prima in deze tijd past en waar bewustwording ook zeker van belang is: (Artificial) Intelligence; Kunstmatige Intelligentie of noem het in algemene zin: Curriculum Intelligentie. Door activiteiten te organiseren rondom intelligentie, leren kinderen wat intelligentie is en dat je dat kunt ontwikkelen door je brein te trainen.

Vroeger deden we dat met dammen, schaken, het doolhof op papier en héle moeilijke kruiswoordpuzzels.

Wat je in feite gaat doen is de capaciteit van je hersenen uitdagen met als doel een oplossing te vinden voor de beren op de weg. Vroeger deden we dat met dammen, schaken, het doolhof op papier en héle moeilijke kruiswoordpuzzels.

Toegegeven, de escape room klinkt wel wat sexyer, maar dat ligt ook maar net aan hoe jij de activiteiten van toen als leraar, ouder en opvoeder brengt. Wat is dan de bijvangst? Geen afleiding en volledige focus op doorzettingsvermogen. De meeste mensen met schoolgaande kinderen trainden het brein met de capaciteiten en intelligentie van toen. En kijk eens wat voor digitale wereld daar uit is ontstaan.

Heb je aanvullingen of wil je reageren? Laat het hieronder weten. Dit artikel is met de grootste zorg geschreven. Mochten er onjuistheden, tik- en/of spelfouten tegenkomen, verneem ik dat heel graag.